bel mij!
 
 
 
Vermogen en beheer

Als vermogen wordt beheerd dan zijn spelregels en termen waarvan er hieronder een paar worden belicht.

Individueel vermogensbeheer

Bij individueel vermogensbeheer wordt een vermogen aan een beheerder ter belegging toevertrouwd. Er worden daarbij afspraken gemaakt over de manier waarop dat beheer zal gebeuren, welke vrijheid de beheerder heeft bij zijn aan- en verkoopbeslissingen, en de manier waarop hij aan zijn opdrachtgever zal rapporteren. Individueel vermogensbeheer komt voor grotere bedragen, elke beheerder hanteert eigen minimumbedragen, maar een ondergrens van EUR 100.000 of meer is gebruikelijk.

Collectief vermogensbeheer
Bij collectief vermogensbeheer worden twee vormen onderscheiden.
Ten eerste worden door vermogensbeheerders beleggingsvormen aangeboden waarin het publiek naar eigen keuze kan deelnemen. Een voorbeeld zijn de beleggingsfondsen zoals die door banken in grote variatie aan het publiek worden aangeboden. Er is een grote keus aan ‘beleggingsformules’: de deelnemer kan beleggen in staatsleningen in het Euro-gebied, in winkelcentra in de Verenigde Staten, in aandelen van farmacie-ondernemingen, et cetera.

Het voordeel is hier enerzijds gelegen in de schaalgrootte: de kosten van het beheer, die tot op zekere hoogte onafhankelijk zijn van de omvang van het beheerde vermogen, kunnen worden omgeslagen over een veel groter vermogen. De individuele deelnemer kan echter reeds met vrij kleine bedragen deelnemen.Verder  is een voordeel dat met betrekkelijk kleine vermogens reeds een grote mate spreiding kan worden verkregen over bijvoorbeeld meerdere aandelen of aandelensectoren: men koopt als het ware een dwarsdoorsnede van de totale beleggingsportefeuille.

Daarnaast wordt vermogen min of meer ‘gedwongen’ beheerd. Dit is bijvoorbeeld het geval bij een pensioenfonds. De deelnemers aan het pensioenfonds brengen het vermogen bijeen waaruit de pensioenen betaald worden. Zij hebben echter geen (individuele) invloed op de wijze waarop dat vermogen beheerd wordt. Daar staat tegenover dat de beheerder van een dergelijk vermogen wel degelijk gebonden is aan richtlijnen over de wijze waarop hij mag beleggen.

Pensioenfondsen (en andere institutionele beleggers) kunnen het vermogensbeheer laten uitvoeren door een eigen organisatie, of kunnen dat (geheel of voor bepaalde gedeelten van hun portefeuille) uitbesteden aan externe vermogensbeheerders.

Beleggingsprofiel
Het is gebruikelijk dat eerst door vermogensbeheerder en opdrachtgever wordt vastgesteld wat het doel van het vermogen is. Er wordt bijvoorbeeld gesproken over de risicotolerantie van de opdrachtgever (bijvoorbeeld: hoe erg is het als er over enig jaar een negatief rendement wordt behaald?) Daaruit komt een beleggingsprofiel tevoorschijn: een aanduiding van ‘het type belegger’.

Het beleggingsprofiel varieert van “zeer defensief” tot “zeer offensief”. De defensieve belegger zal hooguit een klein risico willen lopen zijn investering te verliezen, en zal daarvoor genoegen moeten nemen met een kleinere kans op een hoger rendement; de offensieve belegger zal tegenover een grotere kans op een hoger rendement bereid moeten zijn een duidelijk grotere kans op het verliezen van een deel van zijn investering te accepteren.

Asset-mix
De asset-mix is een ‘verdeling’ van het te beleggen vermogen in hoofdtypen beleggingen, bijvoorbeeld ‘30% aandelen/70% obligaties’. Die asset-mix wordt dan verder uitgewerkt, bijvoorbeeld naar minimum obligatierating. Verder worden een of meerdere benchmarks vastgesteld. Er worden verder afspraken gemaakt over de mate van zelfstandigheid van de vermogensbeheerder (voor welke transacties moet hij eerst de cliënt raadplegen, en wat mag hij zelf), en voor de inhoud en frequentie van de rapportages. Er wordt uiteraard ook een vergoeding afgesproken die de vermogensbeheerder voor zijn werkzaamheden ontvangt. De hoogte van die fee wordt vaak uitgedrukt in ‘basispunten’: honderdsten van procenten van het belegde vermogen, en kan gerelateerd zijn aan zijn ‘performance’ (performance-fee).

Bij beleggingsfondsen worden dergelijke onderhandelingen uiteraard niet met elke individuele deelnemer gevoerd, en is die informatie in de documentatie van het betreffende beleggingsfonds opgenomen. In de documentatie zal vermeld zijn voor welk beleggersprofiel een bepaald fonds wel of niet geschikt is. Bij externe vermogensbeheerders wordt hier door de opdrachtgever en de beheerder over onderhandeld.

Bij individueel vermogensbeheer is het verplicht dat tussen de (potentiële) cliënt en de vermogensbeheerder deze zaken in een persoonlijk gesprek worden doorgenomen, en dat deze afspraken schriftelijk worden vastgelegd. Het nalaten van het vaststellen en vastleggen van het beleggingsprofiel leidt ertoe dat de vermogensbeheerder (deels) aansprakelijk kan worden gesteld voor eventuele verliezen. Overigens ligt hier ook een duidelijke zorgplicht bij de cliënt, zijn vermogensbeheerder hier duidelijk te informeren. Het geheel van afspraken tussen cliënt en vermogensbeheerder staat (met name bij institutioneel vermogensbeheer) bekend als “het mandaat”.

Organisatie
Een typische vermogensbeheer-organisatie heeft in ieder geval de volgende functies:
- research (die zich bezighoudt met het verzamelen en interpreteren van informatie),
- front-office (die de aan- en verkoopactiviteiten verricht en daartoe met commissionairs en dergelijke partijen onderhandelt),
- back-office (die de administratieve afhandeling van de transacties verzorgt en de leveringen begeleidt),
- risk-management (waar rapportages omtrent de gerealiseerde rendementen worden opgesteld en bewaakt wordt of gehandeld wordt conform de opdracht).

In veel gevallen vindt er periodiek overleg plaats waarin de resultaten van het gevoerde beleid worden besproken, en het beleid voor de komende periode wordt vastgesteld. Dit kan een overleg van de diverse functies zijn; bij grotere organisaties is dit vaak opgedragen aan een apart gremium.

Toezicht

Het toezicht op vermogensbeheerders (dat zijn de uitvoerders en niet de strategen zoals Buro philip van den hurk) vindt op diverse niveaus plaats. Veel Nederlandse financiële instellingen en hun werknemers (vermogensbeheerders, adviseurs en handelaren) zijn geregistreerd bij het Dutch Securities Institute (DSI). Een cliënt die klachten heeft over de wijze waarop hij door een financiële instelling (meestal een bank) (of diens medewerker) is behandeld kan klagen bij de klachtencommissie van het DSI. Het DSI kan in zijn beslissing een geldelijke vergoeding toekennen. Het DSI kan ook op eigen initiatief maatregelen vorderen bij zijn tuchtcommissie.

Consumenten van financiële diensten zich ook wenden tot het Klachteninstituut Financiële Dienstverlening (Kifid). Sinds 1 april 2007 heeft dit een aantal taken van het DSI overgenomen. De Ombudsman van het Kifid (en in tweede instantie de Geschillencommissie) kunnen een bindend advies geven bij geschillen tussen consumenten en financiële instellingen.